Fenrire Delainy

Een poosje terug had ik een idee voor een verhaal in mijn hoofd. Ik heb dit uitgewerkt en ben het nu aan het uittypen. Het is een fantasy-verhaal dat gaat over een meisje van 16, Fenrire, dat in een saai dorp is opgegroeid en dat het liefst van alles daar weg wil. Onverwachts heeft ze de mogelijkheid om te gaan, en dat doet ze dan ook. Ze gaat rondreizen met iemand anders en zo komt ze ongewild in een experiment terecht…

Hieronder staat een deel van wat ik tot nu toe heb. Veel plezier en laat me maar weten wat je ervan vindt!

Proloog

Fenrire wachtte op haar kans. Haar slachtoffer stond even verderop. Zij kon hem goed zien, maar ze wist dat hij haar niet kon zien. Hij keek onrustig om zich heen. Hij wist waarschijnlijk al dat het om een valstrik ging. En anders, dacht ze, vermoedde hij het wel. Ze glimlachte. Ze hield niet van het idee om te doden, zelfs niet als het slachtoffer het had verdiend. Nee, ze glimlachte omdat haar missie bijna was afgelopen. Hij was de laatste. De laatste die had geholpen haar te mishandelen. De laatste die had geholpen om haar te verminken. Je kon de verminking niet altijd zien, maar hij was er wel. Hij hielp haar om te doden.

Ergens was het ook een zegen. Ze kon beter zien en horen. Ze kon sneller, en langer, rennen. Slapen hoefde ze niet meer. Ze kon lang zonder eten en drinken. Maar toch, dacht ze, is het eerder een verminking dan een zegen.

Verderop werd het slachtoffer steeds onrustiger. Hij begon al heen en weer te lopen. Zijn loopje deed haar denken aan de tijd dat ze hem nog vertrouwde. Aan de tijd dat ze nog van hem hield. Aan de tijd dat ze nog normaal was. 

Hoofdstuk 1

Fenrire was 16 toen ze hem ontmoette. Ze woonde nog bij haar ouders in een dorpje dat Carmuun heette. Carmuun is zo’n afgelegen dorpje waar iedereen iedereen kent. Zo’n dorpje waar je woont en waar niemand weg gaat. De enige mensen die komen en gaan zijn de handelaren en kooplieden, en zelfs daarvan kwamen er maar weinig naar Carmuun. Vandaag was het hele dorp uitgelopen en iedereen vierde feest.

Het was Fenrire’s verjaardag. Ze had nog tegen haar moeder gezegd dat ze geen groot feest wilde, aangezien ze niet van drukte hield. Maar omdat je maar één keer 16 wordt, had haar moeder tegen haar zin in alsnog een heel groot feest georganiseerd. Jazeker, dacht ze grimmig, het is een verjaardag om nooit te vergeten. Maar niet in de zin die iedereen had gehoopt.

Om even aan de drukte te ontsnappen, was ze naar het bos gelopen om even tot rust te komen. Ze liep naar haar favoriete boom toe. Deze boom was eigenlijk haar uitkijkpost. Daarvanuit kon zij alles zien, maar om haar ze kunnen zien moesten mensen weten waar ze zat. Ze keek in de richting van het feest. Hoe lang zou het duren voor ze erachter kwamen dat ze niet meer daar was? Als ze erachter kwamen zouden ze allemaal als kippen zonder kop rond gaan rennen, dat wist ze zeker.

Toen hoorde ze iets. Het kwam vanuit het bos. Was er nog iemand de festiviteiten ontvlucht, dacht ze verwonderd. Even later zag ze een stuk verderop zag ze een jongen lopen. Hij was ongeveer van haar leeftijd, schatte ze. Ze herkende hem niet. Dat moest betekenen dat hij uit een van de omringende dorpjes kwam, maar ook daar kende ze bijna iedereen. Zou hij een reiziger zijn? Maar wat deed hij dan in het bos?

De jongen liep met de zekerheid van iemand die weet waar hij heen gaat en waarom. Hij liep recht op de boom af waar zij in zat. Ze herkende hem nog steeds niet terwijl hij nu vlak bij haar was. Het was een knappe jongen van haar leeftijd, zag ze nu. Hij had donker haar dat bijna tot zijn schouders hing.

Onder haar boom bleef hij stilstaan. Ze hield haar adem in. Waarom juist deze boom? En wie was hij? Nou, als hij verkeerde bedoelingen had, zou hij er heel snel achter komen wat haar vader haar had geleerd, dacht ze. En wat ze zichzelf had geleerd, voegde ze er in gedachten aan toe.

Beschaamd merkte ze dat ze haar spieren al had gespannen. Jaja, dacht ze sarcastisch, je denkt er wel aan dat je hebt geleerd te vechten, maar je vergeet dat je hebt geleerd om geen agressieve houding aan te nemen tot je zeker weet dat je word aangevallen. Ze ontspande zich weer.

Op dat moment keek hij naar boven, recht in haar ogen. Even zag ze niets anders dan alleen zijn ogen. Ze waren de mooiste ogen die ze ooit had gezien. En die kleur… zijn ogen waren zo groen als  gras. Ze kon haar ogen niet  meer van hem afhouden.

“Hoi,” zei hij. Fenrire wist even niet wat ze moest zeggen dus keek hem met open mond aan. Hij lachte. “Ik had gehoopt dat je dat niet zou doen,” zei hij, en knipoogde. “Kom naar beneden, dan zullen we wat praten.” Fenrire klom naar beneden. Hij liep weg, en zij liep achter hem aan. Hij liep naar de open plek verderop zag ze. Eenmaal daar aangekomen gingen hij op het gras zitten. Fenrire ging tegen over hem op een steen zitten.

Nu vond ze haar stem pas terug. “Hoe heet je?” vroeg ze. “Derryl” zei hij, “en jij?”

“Mijn naam is Fenrire. Hoe wist je dat ik in die boom zat?” vroeg ze. Terwijl ze achter hem aan had gelopen had ze haar verstand weer terug gekregen en had ze een paar vragen bedacht..

“Ik heb gewoon goede oren,” zei hij met een glimlach. “Waarom zat je in die boom? In je dorp vieren ze feest.” Het feest! Ze was het feest helemaal vergeten! Ze sprong op. “Ik ben hier al te lang, ik moet terug! Als ze merken dat ik weg ben…” ze maakte haar zin niet af. Ze keek weer in die prachtige ogen en verdronk. Van dichtbij waren ze nog mooier. “Ga toch weer zitten,” zei hij, “ze weten het nog niet. Het duurt nog wel even voor ze erachter komen dat je weg bent, Fenrire. Waarom vieren ze feest?”

“Het is vandaag mijn verjaardag. Ik ben 16 geworden, en ik ben dus volwassen, en daarom vieren ze feest. Ik wou geen feest, maar mijn moeder heeft het toch geregeld omdat ik volwassen ben geworden. Ik had even rust nodig dus ben ik naar het bos gelopen.”

“Waarom wou je geen feest?” In zijn ogen was iets van verwondering te lezen.

“Ik wil niet vieren dat ik weer een jaar niet heb geleefd.” Hoorde ze zichzelf zeggen. Het was de waarheid, maar normaal zou ze niet durven het aan iemand te vertellen.

Nu las ze hoop in zijn ogen. Haar ouders zeiden altijd dat het een gave was om in iemands ogen te lezen wat diegene voelde, maar daar geloofde ze niet in. Iedereen kon dat toch? “Waarom zou je dat jaar niet geleefd hebben? ” vroeg hij.

“Heb je Carmuun goed gezien?” vroeg ze spottend. Hij knikte. “Nou, ziet dat eruit alsof er wat gebeurd? Het zijn allemaal boeren, stuk voor stuk, en ze leven per dag, per week, hooguit per seizoen. Het enige wat ze kan schelen is hun oogst. Zouden ze wel genoeg oogsten om de winter van door te komen, om er genoeg geld van te verdienen om volgend jaar weer zaden te kunnen kopen? Dat is waar hun leven om draait. Elke verjaardag is een mijlpaal dat je een jaar hebt geleefd. Hier leef je niet. Ik wil niet vieren dat ik weer een jaar niet heb geleefd, en ik ben ook niet jarig zodat zij aan de sleur kunnen ontsnappen.

Elke verjaardag, elk jaar is voor mij weer een jaar dichter bij mijn dood, elk jaar is er één dichter bij een huwelijk dat ik niet wil, elk jaar is er weer een niet geleefd. Zij snappen dat niet, willen het niet snappen of zijn blij met het leven dat ze hebben.

Ze snappen niet dat het leven meer is, of kan zijn, dan elke dag, elk jaar, zelfs elk leven hetzelfde doen. Ik kan niet aan hun leven ontsnappen omdat ik te jong ben.” Of was, voegde ze er in gedachten aan toe. “Elke dag wordt ik wakker met de gedachte dat ik weer een dag en een nacht heb verspild. Elke dag oefen ik in sluipen, wakker blijven, verstoppen, opgaan in de natuur. Alles wat me straks kan helpen overleven als ik aan dit leven kan ontsnappen.”

Toen ze klaar was met haar verhaal was het stil. Hij keek haar aan, dacht na. Ze wachtte tot hij wat zou zeggen. Ze merkte dat ze hem nu wel in zijn ogen kon kijken zonder haar verstand te verliezen. …

spacer

One comment on “Fenrire Delainy

Leave a reply