Fenrire Delainy – Deel VI

Ik heb het erg druk met stage gehad, en heb het nog steeds erg druk. Vandaar dat ik de laatste tijd niets meer heb geupload. Maar nu toch nog het volgende deel over Fenrire! Derryl en zij gaan in dit gedeelte op reis, maar hij lijkt zijn gedachten ergens anders bij te hebben…

—–

Hoofdstuk 2

Terwijl Fenrire en Derryl alles aan het inpakken waren werd het Fenrire ineens duidelijk waarom Derryl drie paarden had terwijl ze er maar twee nodig hadden. Ze hadden zo veel spullen bij zich dat ze een pakpaard nodig hadden. Fenrire’s spullen pasten allemaal makkelijk achterop het paard waar ze op reed, op de tent na. Die werd op het pakpaard gebonden samen met Derryl’s tent en nog wat spullen die hij mee had en die te groot waren. Fenrire deed haar warmste mantel aan en bond haar boog en pijlen aan het zadel zodat ze er makkelijk bij kon als zij ze nodig zou hebben. Haar zwaard liet ze ook om. Ze dacht niet dat ze haar wapens nu al nodig zou hebben, maar ze was liever op het ergste voorbereid.

Toen alles was ingepakt stapte ze op. “Waar gaan we eigenlijk heen?” vroeg ze, terwijl ze zich half omdraaide in het zadel zodat ze Derryl aan kon kijken. Hij glimlachte mysterieus. “Dat is een verassing. Maar we gaan via Rogaun, de grootste stad van het land. Heb je er wel eens van gehoord?” Zodra ze hoorde dat ze naar Rogaun werd Fenrire opgewonden. “Natuurlijk heb ik ervan gehoord!” riep ze uit, “Het is de grootste stad van het land! Is het waar dat er allerlei wezens wonen? Dat er vampieren en weerwolven in dezelfde straat wonen? Is het waar dat er druïden wonen en dat er draken in de omliggende bossen zitten?”

Derryl grinnikte. “Komen er vaak kooplieden door jullie dorp?” Fenrire knikte. “Aha, vandaar. Kooplieden weten een hoop, maar ze blazen alle verhalen altijd op. Ze houden van de aandacht die ze krijgen als ze een goed verhaal vertellen” hij grijnsde. “Er woont één vampier in Rogaun, de weerwolven wonen buiten de stad in het bos, en er zit een draak op de vulkaan waar de stad naast ligt. En van druïden weet ik niets maar misschien wonen ze er wel.” Voegde hij eraan toe. “Maar we kunnen ze allemaal opzoeken,” zei hij, “hoewel we ook veel wezens onderweg tegen zullen komen. Laten we nu maar gaan, dan zijn we een stuk verder voor de avond valt. We kunnen volgende week in Rogaun zijn als we een beetje doorrijden.”

Hij was nog niet uitgesproken of hij spoorde zijn paard aan. In stap begonnen ze aan hun reis. “Waar reizen we langs?” vroeg Fenrire. Derryl keek haar vreemd aan. “Je bent echt nog nooit verder dan die open plek geweest he?” vroeg hij. “Heb je wel eens een landkaart gezien?” Fenrire voelde zich rood worden. Nee, ze had nog nooit een landkaart gezien. Dat mocht ze niet van haar… vader. Ze vond het nog steeds een raar idee dat haar vader de baas was, en niet haar moeder. Maar hoe langer ze erover nadacht, hoe logischer het leek. “Nee, nog nooit” zei ze beschaamd. Derryl grinnikte. “Je wil wel op reis maar je hebt geen idee hoe de wereld eruit ziet?” Toen bloosde hij. “Je ouders hadden zeker alle wereldkaarten verstopt? Of er waren er geen in het dorp. Het maakt niet uit. Ik heb er een bij me, bestudeer hem maar.” Hij haalde een stuk papier uit zijn zadeltas en gaf het aan haar. Terwijl ze de kaart uitvouwde ging Derryl verder. “Op de kaart staat een pijl, die moet naar voren wijzen, van je af. Als je dan naar de kaart kijkt zitten we in het bos dat rechts onderin staat afgebeeld. Snap je nu waarom er bijna niemand naar jullie toe komt?” Fenrire knikte. Ze zag dat zij inderdaad helemaal in een uithoek leefden. In het midden van de kaart lag ook een bos, met een stipje erin. Bij het stipje stond ‘Rogaun’ geschreven in een net handschrift. “Heb jij dat geschreven?” vroeg ze aan Derryl. Hij knikte. “Om bij Rogaun te komen kunnen we twee dingen doen; we kunnen via de wegen gaan, maar dan moeten we omrijden, of we kunnen door de wildernis gaan. Dat was ik van plan. Dan zie jij ook wat meer van de wereld voor ik je meteen in het diepe gooi in de stad. Maar vertel eens wat meer over jezelf?” vroeg hij.

Fenrire dacht na. Wat kan ik hem vertellen zonder dat hij meteen te veel van me weet? “Wat wil je weten?” vroeg ze. “Begin eens met waar en van wie je paard hebt leren rijden” zei hij.

“Mijn moeder heeft het me vroeger geleerd toen ik 8 was. Als mijn vader aan het werk was op het land, haalde we het paard uit de stal en leerde ze mij het dier te zadelen en leerde ze mij haar te berijden. Toen mijn vader erachter kwam, kon ik het al behoorlijk goed. Hij werd ontzettend boos op mijn moeder, omdat het onverantwoord zou zijn zo’n jong meisje op zo’n groot paard te laten rijden. De volgende dag nam hij Pijl, zo noemde ik het paard omdat ze zo snel was, en mij mee naar het land. Hij bond een ploeg achter Pijl en ik moest de hele dag met haar het land ploegen. Na het ploegen kon ik Pijl niet meer berijden omdat ze dan te vermoeid was, net als ik. Het hele jaar moest ik elke dag met Pijl ploegen of andere klusjes doen zodat ik niet meer kon rijden. Af en toe zag ik kans om met Pijl ’s ochtends vroeg een rit te maken, en ik zorgde er telkens voor dat ik weer terug was voor hij wakker werd. Hij heeft het nooit gemerkt voor zo ver ik weet.” Fenrire kreeg tranen in haar ogen toen ze weer aan Pijl dacht. Pijl was haar vriendin geweest in al die jaren, en vorig jaar was ze doodgegaan. Van teveel inspanning, werd haar verteld. Ze had niet zo vaak moeten ploegen. Maar Fenrire gaf zichzelf de schuld. Ze had niet voor een werkdag moeten gaan rijden met haar. Misschien had haar vader het wel geweten, maar had hij gewacht tot dit zou gebeuren en had hij haar zo een schuldgevoel aangepraat. Misschien was ze wel aan ouderdom overleden, maar het maakte niet uit. Dood is dood, hield ze zichzelf voor. Ze probeerde de tranen weg te knipperen en hoopte dat Derryl het niet had gezien.

Vanuit haar ooghoeken keek ze naar Derryl. Hij keek voor zich uit en leek diep in gedachten verzonken. Gelukkig, hij had het niet gezien. “Waar denk je aan?” vroeg ze. Derryl schrok op. “Ik dacht aan…” zei hij verward. Hij keek haar boos aan. “Waarom kijk je nu zo boos? Ik vroeg het maar!” Zijn gezicht verzachtte en hij zuchtte. “Sorry, je liet me gewoon schrikken. Ik dacht aan niets bijzonders.” Zei hij. “Heb je mijn verhaal wel gehoord?” vroeg Fenrire. “Je had me tenslotte wat gevraagd.” Hij keek haar verward aan. “Ja, ja zeker” mompelde hij. “Ik was.. nee, laat maar. Ik heb het gehoord, Fenrire.” voegde hij er op normale toon aan toe. “Je houdt erg van dieren he?”

Fenrire glimlachte. “Ja, zeker. Maar als ik jaag heb ik er geen last van. Ik moet toch overleven.” Derryl leek weer in gedachten verzonken. Fenrire zuchtte. Hij leek haar echt niet interessant te vinden. Nou, dacht ze, al hij mijn antwoorden niet wil weten zeg ik ook niets meer tegen hem. Derryl zei ook niets meer, dus reden ze in stilte door.

Toen de avond viel reden ze het bos uit en kwamen ze op een grote vlakte. Er groeide kniehoog gras, en hier en daar groeide een bosje. Ze reden nog een poosje door tot ze bij een groepje bomen kwamen. “Hier zetten we ons kamp op voor de nacht.” Zei Derryl plotseling. “Het is nog licht genoeg om de tenten op te zetten en om te jagen.” Bij de bomen stegen ze af en zadelden ze eerst de paarden af en wreven ze droog. “Moeten we ze ook vastbinden?” vroeg Fenrire. Tijdens de reis was het haar opgevallen dat Derryl het pakpaard niet had vastgehouden maar dat hij zelf mee liep. “Nee, ze blijven wel in de buurt. Dan kunnen ze ook zo veel eten als ze willen.” antwoordde Derryl. “Als we de tent hebben opgezet ga ik jagen. Maak jij dan een kampvuur aan?” Fenrire knikte. Ze wilde wel eens weten hoe hij konijnen ving. Tenminste, als hij op konijnen zou gaan jagen. Samen zetten ze de tenten op. Ze hadden de laatste tent nog maar net opgezet of Derryl liep al weg zonder wat te zeggen. Hij liep in de richting van het bos. Terwijl Fenrire hem na keek zag ze een witte vogel boven hem vliegen. Het beestje cirkelde rond, leek het wel. Ze zag dat Derryl er naar keek en toen iets uit zijn zak haalde. Hij bracht het naar zijn mond. Fenrire hoorde niets, maar het moest wel iets zijn waarmee hij een soort geluid maakte. Op dat moment daalde de vogel en ging op Derryl’s schouder zitten. Wat gek, dacht ze, waarom gaat die vogel nu op zijn schouder zitten? Ze zou het hem vragen als hij weer terug kwam. Terwijl ze hout zocht voor het vuur dwaalden haar gedachten af richting de gebeurtenissen van vandaag. Haar verjaardag, haar verbanning, en vooral naar wat haar moeder had gezegd. Het duurde niet lang tot ze het voorval met de vogel al weer was vergeten.

spacer

One comment on “Fenrire Delainy – Deel VI

Leave a reply